20 april, 2019.

De zenuwen gieren door mijn lichaam. Mijn tegenstander, die ik niet uit kan staan, loopt naar de baseline en is klaar om te serveren. Ik veeg het zweet van mijn gezicht en hoor mijn teamgenoten van alles schreeuwen. Het enige wat ik kan horen is “Let’s GOOO Seahaaaawkkss” en “It’s KitKat Timmmmeeeee boooyysss.” Het laatste omdat ik op het punt sta de service van mijn tegenstander te breken: “Have a break, have a KitKat.” Maar niet zomaar een servicebreak. Mijn team staat in totaal met 3-2 voor in wedstrijden en mijn teamgenoot op de baan naast me is aan het verliezen. Dit betekent dat de winst op mij aankomt. Ik sta 7-6/5-3/40-15 voor. Matchpoint. Als ik win, zijn we door naar de ‘Northeast Conference (NEC) finals,’ pas voor de tweede keer in de geschiedenis van mijn universiteit, Wagner College, waar ik de laatste vier jaar heb getennist en gestudeerd. Dit is waar mijn teamgenoten en ik zo lang, dag in dag uit, voor hebben gewerkt. En dat is precies wat ik mezelf vertel: “Dit is waar je voor gewerkt en geleden hebt. Dit is jouw moment.” Ik staar nog één keer naar mijn tegenstander in de hoop hem te intimideren, en ik bid voor een dubbelfout. Hij slaat zijn eerste service in (k*t) en loopt op naar het net. Mijn return valt laag op zijn voeten en hij pikt hem knap op, maar zijn volley vliegt twee centimeter uit. Ik heb geen idee wat ik doe, maar ik schreeuw, maak een paar ongemakkelijke bewegingen, en zie dan mijn teamgenoten op me af rennen. Ze knuffelen me, slaan me op A$$, en glimlachen van oor tot oor. Ik heb het gedaan. Nee, het is college tennis: WIJ hebben het gedaan. De Seahawks zijn door naar de NEC finals en spelen morgen tegen onze grootste rivaal, Bryant University.

 

20 april, 2019: 

Het is half acht ’s ochtends. Mijn coach, mijn teamgenoten en ik zitten aan onze ronde ontbijttafel in het hotel. Bryant’s team zit tegenover ons aan een andere tafel. Blikken worden uitgewisseld. Je voelt de spanning. We doen allemaal ons best om gevaarlijk en vol zelfvertrouwen over te komen, maar we kunnen onze zenuwen niet verbergen. Vandaag is de dag. It’s them, or us. Er zal maar één team winnen en de felbegeerde ‘kampioensringen’ mee naar huis nemen en zich plaatsen voor het nationale NCAA toernooi – het ultieme doel van elk college team. Eenmaal aangekomen op de club horen we dat de wedstrijden binnen worden gespeeld in verband met het weer. Hoe meer fans de hal binnenstromen, hoe benauwder het wordt. De aanmoedigingen, al tijdens de warm-up, echoën over alle zes de banen. We zijn klaar met inspelen en kunnen niet wachten om de wedstrijden te beginnen. Als captain spreek ik mijn team nog een laatste keer toe: “Dit is het, boys. Ik wil jullie van baan 1 tot baan 6 horen. Luid als je wint, nog luider als je verliest. Play to win. Play big. Speel met je hart. Speel met je ziel” We vormen een dichte cirkel, armen om elkaar heen, en schreeuwen de luidste yell van het hele seizoen, de hardste van mijn vier jaar op Wagner.

We verliezen het belangrijke dubbelpunt en komen met het team samen voordat de zes singel wedstrijden van start gaan. Onze beste speler, normaal een stille jongen uit Oekraïne, verbaast iedereen door het team toe te spreken. “We can f*cking do this,” zegt hij. Dit geeft ons energie. We doen onze korte yell, en de zes enkelspelers gaan naar hun baan. Zes wedstrijden tegelijkertijd. De sfeer is bijna niet te beschrijven. Het is niet alleen een wedstrijd tussen ons en onze tegenstanders – de fans hebben een onderlinge strijd om wie het meeste lawaai kan maken. Ze schreeuwen zo hard dat ze langzaam hun stem verliezen. Ik zit helemaal in de wedstrijd, volle focus, maar kan niet ontkennen dat ik af en toe naar de kant kijk en volop geniet van de sfeer in deze tennishal. Zoiets heb ik in 14 jaar tennis nog nooit meegemaakt. Ik vind het fantastisch en speel het beste tennis van mijn leven.

Maar het maakt niet meer uit. We hebben al voordat ik mijn wedstrijd uitspeel verloren. Onze droom om het NEC toernooi te winnen gaat op in rook. Ik schud snel de hand van mijn tegenstander en ren naar mijn teamgenoten, acht jongens die tijdens de afgelopen vier jaar mijn beste vrienden – mijn broers – zijn geworden. Ze staan dicht naast elkaar in een cirkel. Stil. Tranen lopen over hun wangen. Ik kom ook in de cirkel, we slaan onze armen om elkaar heen, en daar staan we dan: negen jongens van rond de twintig, sommigen volop aan het huilen. Ik besef dat mijn college tennis carrière in Amerika erop zit, een leeg gevoel, maar wat overheerst, is trots. Trots op mijn team en de strijd die we hebben geleverd. We schreeuwen onze yell een laatste keer uit, ontvangen de prijs als boeren met kiespijn, en stappen in het teambusje om terug te gaan naar onze universiteit. Ik zit voorin, naast mijn coach, die de volumeknop van de radio omhoog draait. We draaien wat throwback liedjes, zingen (vals als Madonna) onze longen eruit, en worden langzaam weer het goed-goedgehumeurde team dat we altijd zijn. We hebben verloren, maar vanavond is het tijd voor een feestje.

Een pijnlijke herinnering, maar toch een van de beste van mijn vier jaar college tennis. Het gevoel van broederschap en verbondenheid is iets wat alleen college student-atleten begrijpen – het is lastig dit over te brengen. Het is nu een jaar geleden dat ik afgestudeerd ben aan Wagner College (New York City), en ik moet toegeven dat ik het college tennis avontuur mis. Hier zijn vijf redenen waarom ik college tennis leuker vind dan ‘gewoon’ tennis.

1. Team Spirit

Tennis is een individuele sport, maar college tennis niet. Het is het beste van twee werelden – je staat in je eentje op de baan, maar je bent nooit alleen. Na mijn eerste jaar in Amerika kwam ik terug naar Nederland en trainde ik mee met de academy waar ik voor mijn vertrek jaren heb getraind. Het was doodstil, de jongens en meiden werden constant boos op zichzelf, en iedereen wilde elkaar inmaken. Ik zag een groep individuen rondrennen die niet doorhadden dat niet zijzelf, maar juist hun trainingsmaatjes hen beter maken. In college tennis gaat het er anders aan toe. Je vertegenwoordigt je universiteit en speelt dus niet alleen voor jezelf, maar ook voor je teamgenoten. Je traint elke dag met elkaar, eet samen, woont samen, reist samen naar toernooien, en streeft als een groep bepaalde doelen na. Mijn teamgenoten zijn mijn beste vrienden geworden waar ik alles mee deed en alles mee deelde. Ik beseft heel goed dat ik van hen afhankelijk was om het uiterste uit mezelf te halen als speler en als mens. Als ik een moeilijke dag had kwam een teamgenoot naar mij toe, moedigde me aan, en herinnerde me eraan waar we zo hard voor werkten. We hebben met elkaar tegenslagen moeten verwerken en met elkaar gevierd en gejuicht. Het resultaat was een gevoel van erbij horen en broederschap tijdens mijn college tennis carrière dat onbeschrijflijk is en dat ik altijd zal koesteren.

2. Sfeer

Tennis staat bekend als een ‘gentlemen’s sport’ met weinig commotie en alleen na een ongelooflijk punt wild applaus. Maar “Quiet please” is niet iets wat een scheidsrechter zal zeggen bij college tennis. Bij college tennis bewegen fans niet alleen hun hoofden van links naar rechts – ze bewegen ook hun lippen. Vaak. Zelfs voordat de wedstrijden beginnen – tijdens het inspelen en na de team-yell – hoor je aanmoedigend geschreeuw. En dan tijdens de wedstrijd: bijna na elke punt krijsen de fans om hun team op te peppen en energie te geven. Tot 2018 was het zelfs toegestaan voor fans om tussen de eerste en tweede service hun team aan te moedigen, maar dat mag nu gelukkig niet meer (als dit wel gebeurt, krijgt de speler een strafpunt). Maar de sfeer is nog steeds waanzinnig. Er worden zes wedstrijden tegelijkertijd gespeeld, dus er gebeurt veel. Tijdens deze wedstrijden is het normaal dat de teamgenoten elkaar laten weten dat het goed gaat op hun baan. Niet alleen door “Come ooooh” en “Vamooosss” te schreeuwen, maar ook door “Break on 1 booyyssss” te roepen na een service break. Dit is een manier om het energieniveau hoog te houden en teamgenoten die het moeilijk hebben een steuntje in de rug te geven. Als teamcaptain tijdens mijn laatste jaar kwam mijn coach vaak naar me toe – hij vroeg mij de jongens op te peppen. “Wat pit erin gooien,” zei hij dan, “jullie zijn stille muisjes vergeleken met jullie tegenstanders. Laat ze niet over jullie heen lopen.” En dus riep ik over alle zes de banen: “Let’s go greeeeenn.” Mijn teamgenoten volgden: “Let’s go haaaawwkksss.” Het maakt het spelen veel leuker en brengt een ander soort spanning met zich mee.

3. Rivaliteit

Voordat ik naar Amerika vertrok waren er natuurlijk jongens van wie ik hoe dan ook wilde winnen. Ik wilde ze absoluut verslaan. Maar het was niet zo dat dat mijn enige motivatie was. Tijdens mijn vier jaar als student-atleet heeft Bryant University de NEC Championship elk jaar gewonnen. Zij waren dus duidelijk onze grootste rivaal. En ik moet zeggen, dat de wil om hen te verslaan soms het enige was waarvoor ik ’s ochtends vroeg uit bed kwam om drie uur lang te trainen. Als een van mijn teamgenoten een slechte training had, of mentaal niet goed op de baan stond, herinnerden we hem eraan dat zijn gedrag onze kansen om Bryant te verslaan kleiner maakte. Binnen een paar seconden waren zijn schouders weer omhoog en kon je het vuur in zijn ogen weer zien. Behalve dat deze rivaliteit ons motiveerde, was het ook enorm leuk. Een gemeenschappelijke vijand hebben, creëerde een verbondenheid en eenheid in mijn team en zorgde voor hele intense wedstrijden, vol enthousiaste fans (en soms wat trash-talking naar de tegenstanders, wat ik af en toe stiekem heerlijk vond). Helaas hebben we Bryant nooit verslagen, maar tegen hen spelen, gaf me een gevoel dat ik nooit eerder heb gehad tijdens competitiewedstrijden in Nederland.

4. Puntentelling

De puntentelling in college tennis is anders dan in gewoon tennis. De regels verschillen per NCAA divisie. In Divison 1, wat ik speelde, is er een totaal van zeven punten te verdelen tussen de twee universiteitsteams. Het eerste punt is het dubbelpunt. Er worden drie dubbels tegelijkertijd gespeeld. Elke wedstrijd is maar één set tot de 6 games. Hierdoor is de wedstrijd spannend vanaf het allereerste begin omdat elk punt telt. Al vanaf het eerste punt is er een intense sfeer. Het is geen enkel moment saai – niet voor de spelers, en niet voor de fans. Vaak komen er meer fans af op de dubbels dan op de singles omdat er zo veel gebeurt in zo een korte tijd. Het team dat (minstens) twee dubbels wint, verdient het belangrijke dubbelpunt – een groot voordeel voor de start van de enkelspelwedstrijden.

De zes singles worden volgens het reguliere ‘best of three sets’ formaat gespeeld. Er wordt, net zoals tijdens de dubbels, overigens geen voor- en nadeel gespeeld, en er wordt doorgespeeld op een net-service. Typisch Amerikaans: drama en entertainment. Ook al moest ik als eerste jaars erg wennen aan deze regels – ik haatte beslissend punt op deuce – ben ik ervan gaan houden. Op de score 40-40 schreeuwden mijn teamgenoten en ik altijd “Deeeuuuucceeee Pooooiinntt” om onze tegenstanders te intimideren en onszelf op te peppen voor zo’n cruciaal punt. Het was interessant om te zien dat het betere team bijna alle beslissende punten won. Door deze puntentelling heb ik geleerd hoe ik belangrijke punten moet spelen, hoe ik mijn zenuwen onder controle kan houden, en hoe ik terug kan komen na tegenslag. Ik ben door het college tennis mentaal veel sterker geworden, en de wedstrijden waren veel leuker om te spelen.

5. Coaching & het ondersteuningsteam

Iedereen weet dat tennis een erg dure sport is, zeker als je op hoog niveau speelt. Alleen de rijkste spelers hebben de middelen voor een full-time coach. In college tennis is dat anders. Op Wagner College, een kleine Division 1 universiteit, had ik full-time de beschikking over een tennis coach, een kracht- en fitness coach, fysiotherapeuten, een diëtist en een sportpsycholoog. Teams bij andere universiteiten hebben vaak meer dan één tennis coach, zodat er één coach op maar vier spelers is. Zelfs in het professionele tennis is dit bijna ondenkbaar. Niet eens de beste tennissers hebben zo’n uitgebreid team achter zich. Hierdoor voelde ik me erg gewaardeerd en kon ik het uiterste uit mijn tennis halen, in elk opzicht: technisch, tactisch, mentaal en fysiek. Als ik dacht een privétraining nodig te hebben, hoefde ik alleen maar een berichtje naar mijn coach te sturen, en een half uur later stond ik zwetend op de baan. En als ik een blessure had, liep ik vijf minuutjes naar het sport- en gezondheidscentrum om behandeld te worden. Dit waren privileges die ik niet zou hebben als niet-college tennisspeler.

Als laatste vond ik het een groot voordeel dat on-court coaching is toegestaan. Coaches mogen hun spelers na elk punt tips en advies geven. Al vind ik het mooie aan tennis dat je zelf oplossingen moet vinden, heeft dit mij toch geleerd hoe ik in bepaalde situaties moest handelen. Het heeft me veranderd van een trainingsbeest naar een wedstrijdspeler. Het doel van college tennis is om spelers te ontwikkelen zodat ze na vier jaar zonder problemen de ‘echte’ (tennis)wereld in kunnen. En ik heb zeker het gevoel dat de coaching-regel mij daarop heeft voorbereid.